Türk Siyaseti ve Türkiye Siyasi Tarihi - Video Projesi - Türk ve İslam Tarihi - Türk Dna'sı

Gülen Hareketi'nin Gelişmesi ve Türk Toplumundaki Değişiklik

Burada Hollanda'da Fethullah Gülen Örgütlenmesi Hakkında Raporlar hakkında önemli başlıklar bulabilirsiniz.

Gülen Hareketi'nin Gelişmesi ve Türk Toplumundaki Değişiklik

Mesajgönderen TurkmenCopur » 08 Nis 2011, 23:32

De ontwikkeling van de Gülenbeweging als weerspiegeling van de veranderingen in de Turkse maatschappij

De beweging van Fethullah Gülen is ontstaan als een vertakking van de oudere Nur- of Nurcu-beweging (uitspraak: noer, noerdjoe), die bestaat uit de volgelingen van de charismatische islamgeleerde en prediker Said Nursi (gest. 1960). Nursi, die door verschillende gezaghebbende auteurs als Turkijes interessantste religieuze denker van de twingtigste eeuw wordt beschouwd, schreef een groot aantal tractaten, reflecties en langere teksten, waarin hij een mystieke en veelal door dromen en visioenen geînspireerde interpretatie van de Koran gaf. Zijn werken staan bekend onder de verzamelnaam Risale-i Nur, 'Verhandeling over het Licht', en de naam waaronder de beweging bekend is komen staan is aan deze titel ontleend. De Nur-beweging ontstond uit groepen mensen die, onder leiding van Nursi's directe discipelen, bijeenkwamen om uit de Risale-i Nur te lezen.
De Nur-beweging, en ook de door Gülen geînspireerde vertakking ervan, is geworteld in de mystieke traditie van de Turkse islam, maar wijkt op enkele punten af van de traditionele soefiordes (tarikat). Nursi keerde zich met name tegen twee aspecten van de organisatie van soefiordes die hij niet vond passen bij de moderne tijd: de initiatie en het bijna absolute gezag van de spirituele leider (şeyh, sjeich) over zijn volgelingen. De Nur-beweging heeft daardoor een 'lossere' organisatievorm dan de traditionele soefiordes: er is geen scherp onderscheid tussen leden en niet-leden, en de beweging heeft geen sjeichs als leiders. Gezag binnen de beweging is vooral gebaseerd op een directe persoonlijke band met Nursi en kennis van diens geschriften. De discipelen die in de laatste jaren van Nursi's leven de nauwste banden met hem onderhielden werden als vanzelfsprekend de belangrijkste gezagsdragers binnen de beweging. Gülen behoorde overigens niet tot die naaste discipelen, en hij bouwde zijn positie als nieuwe leider op door de overtuigingskracht van zijn preken en door zijn organisatorische bekwaamheid.

De meeste islamitische bewegingen van de twintigste eeuw zijn hervormingsgezind in de zin dat ze traditionele praktijken als bezoek aan heiligengraven en het geloof in de effectiviteit van specifieke gebedsformules afwijzen. Voor een deel van deze bewegingen is de islam bovendien meer dan alleen een geloofsleer en een stelsel van rituele verplichtingen, maar houdt ze ook specifieke voorschriften voor de politieke en maatschappelijke orde in. Voor de Nur-beweging, en dus ook de Gülenbeweging, zijn de traditionele praktijken en geloofsvoorstellingen juist cruciaal, en is de islam niet een politieke ideologie. De Nur-beweging heeft zich nooit willen verbinden met de politieke islam (de opeenvolging van 'pro-islamitische' politieke partijen die vanaf 1970 door Necmettin Erbakan werden geleid) maar koos voor een alliantie met de conservatieve partijen in het politieke midden, die geen specifiek islamitische agenda hadden. Dit bood niet voldoende bescherming tegen onderdrukking door het staatsapparaat; in de ogen van de hoeders van Turkijes seculiere orde vormde de Nur-beweging een gevaarlijk broeinest van reactionair religieus gedachtengoed, waartegen de Turkse jeugd beschermd diende te worden.

Twee religieuze leiders uit het oosten van Turkije, Nursi en Gülen

Said Nursi was een Koerd, en in zijn jeugd was hij een gematigd Koerdisch nationalist die streefde naar de intellectuele en spirituele verheffing van zijn volk, maar Koerdisch separatisme afwees. Hij steunde de stichting van de Republiek Turkije en hield zich afzijdig van de Koerdische opstanden in de beginjaren van de Republiek. Onder zijn volgelingen bevonden zich zowel Turken als Koerden, en de door hem geînspireerde Nur-beweging vond zowel in het meer ontwikkelde westen als in het onderontwikkelde oosten van het land aanhang.
Fethullah Gülen werd eveneens in Oost-Turkije geboren, maar in een streek die voornamelijk etnisch Turks is, in de provincie Erzurum, in 1941. Dit is een gebied dat bekend staat om zijn militante Turkse nationalisme en conservatief-religieuze opvattingen - vaak in verband gebracht met de specifieke geschiedenis van dit gebied, dat meerdere malen door Russische legers bezet is geweest en vroeger een grote Armeense bevolking had, die voor een deel is uitgemoord, voor een deel verdreven, en voor een deel opgegaan in de huidige Turkse bevolking. Gülen leerde Arabisch en Perzisch van zijn vader, die net als zijn grootvader en overgrootvader bekendstond om zijn geleerdheid en vroomheid, en al jong verwierf hij zelf een zekere mate van religieus gezag in het gebied.

In 1963 of 1964 richtte Gülen met anderen samen in Erzurum een afdeling op van de Vereniging ter Bestrijding van het Communisme (Komünizmle Mücadele Derneği). De politieke polarisering die Turkije in de jaren zestig en zeventig zou kenmerken was net begonnen, en de Komünizmle Mücadele Derneği was een van de eerste uiterst rechtse organisaties. Met het te bestrijden 'communisme' werd zowel de naburige Sovjet-Unie bedoeld als de in die jaren opkomende arbeidersbeweging en de Turkse Arbeiderspartij (TIP), die in de verkiezingen van 1965 voor het eerst een twintigtal parlementszetels verwierf en veel aanhang onder studenten had. De Vereniging was nationalistisch en zeer staatsgetrouw, en de President van de Republiek, Cemal Gürsel, was tot erevoorzitter benoemd. Na de eerste politieke gewelddaad van die jaren, een aanval op een bijeenkomst van de TIP in Bursa in juli 1965, legde Gürsel uit protest die functie neer. Gülen, die overigens met deze gewelddaad niets te maken had, bleef lid van de Vereniging en sprak zich ook niet tegen het geweld uit. In de volgende jaren van toenemende polarisering bleef Gülen actief aan de rechterzijde van het politieke spectrum, en in zijn memoires toont hij zich verontwaardigd dat de autoriteiten in die jaren niet ingrepen bij demonstraties waar marxistische slogans werden meegedragen of geroepen. In die periode liet Gülen zich ook weleens negatief uit over joden, vooral in verband met het Marxisme, dat hij als een joodse uitvinding beschouwde. Een uitgesproken antisemiet is hij echter nooit geweest, en evenmin een tegenstander van betrekkingen met Israel.

Gülen in Izmir,in de jaren zestig en zeventig

Gülens carriere als religieus leider begint pas echt als hij in 1966 door Diyanet, het staatsapparaat voor religieuze zaken, wordt aangesteld als moskeeprediker in Izmir. In de jaren zeventig ontwikkelt hij zich hier tot een effectief prediker en organisator, en het is in Izmir dat in die jaren de grondslag is gelegd van wat de Gülenbeweging zou worden. De stad Izmir was in veel opzichten een tegenpool van Erzurum. Izmir was ontwikkeld en welvarend en had de reputatie Turkijes minst islamitische stad te zijn: 'gavur izmir' werd en wordt het wel genoemd, 'heidens Izmir' - een naam die moslims de stad gaven toen deze nog voornamelijk door Grieken bewoond was maar die ze tegenwoordig weer draagt omdat hier de steun voor Turkijes seculiere orde het sterkst is. Hier ontwikkelde Gülen zijn eigen variant van de Nur-beweging, zonder de seculiere omgeving uit te dagen en met sterke nadruk op innerlijke devotie. Hij bouwde een groep volgelingen op - winkeliers, kleine en middelgrote ondernemers, leraren, studenten - en organiseerde zomerkampen voor jongeren, waar intensief religieuze training werd gegeven. Geleidelijk ontstond het begin van de structuur die zich later wereldwijd zou uitbreiden: een ascetisch levende groep van getrouwen rond de meester, winkeliers en andere zakenlieden die geld bijdragen dat ertoe dient dersanes op te zetten waar jonge mensen onder strikte sociale controle studie en religieuze discipline combineren. Gülens streven was in die jaren al de vorming van een nieuwe elite, die beheersing van moderne wetenschap en techniek combineert met een diep-religieuze houding en bereidheid tot dienen. Dat doel kwam dichterbij met de ingrijpende neoliberale transformatie van Turkijes politieke en economische leven in de jaren tachtig.

De jaren tachtig en negentig: neoliberale transformatie van Turkije en expansie naar Centraal-Azie

De militaire staatsgreep van 12 september 1980 was de meest ingrijpende interventie in het politieke en sociale leven die Turkije gekend heeft. Alle politieke partijen werden verboden en hun leiders gevangengezet; alle politieke organisaties en verenigingen, rechts maar vooral links en Koerdisch, werden verboden. Vele duizenden linkse en Koerdische, maar ook islamitische activisten verdwenen voor lange tijd in de gevangenis. Gülen was een van de weinigen die direct steun betuigden aan de plegers van de staatsgreep (wat o.a. leidde tot een vervreemding tussen hem en andere vleugels van de Nur-beweging). Het militaire bewind dat werd ingesteld, voerde een draconisch economisch hervormingsbeleid uit, verbood alle vormen van verenigingsleven, en adopteerde een conservatieve, nationalistische ideologie, de 'Turks-islamitische synthese', als richtlijn in zijn culturele beleid. Deze 'Turks-islamitische synthese' - de idee dat de islam zijn meest ideale uitdrukking had gevonden toen de Turken moslim werden en sterke staten stichtten - was bedacht door een groep uiterst rechtse intellectuelen als nationale ideologie die het land moest vrijwaren van de gevaren van socialisme, internationalisme en politieke ('Arabische') islam. Hoewel Gülen niet tot de kringen behoorde waar de idee van de Turks-islamitische synthese was uitgedacht, paste het soort islam dat hij vertegenwoordigde, met zijn sterke Turkse nationalisme en positieve houding tegenover de staat en het leger, uitstekend in de nieuwe orde zoals de militairen zich die voorstelden.

Turgut Özal, de man die de militairen aanstelden als uitvoerder van de economische hervormingen, en die later in 1983 premier werd en van 1991 tot zijn dood in 1993 president, had al in de jaren zeventig kennis gemaakt met Gülen. Özal kwam ook uit een conservatieve religieuze familie in Oost-Turkije maar was een visionair, die Turkije een leidende rol wilde laten spelen in de 21e eeuw en die zich realiseerde dat daarvoor een groot aantal bestaande taboes moesten worden afgebroken. Terwijl zijn familie banden had met de 'Milli Görüş'-beweging van Erbakan leek Turgut Özal de voorkeur te geven aan de benadering van Gülen, en hij gaf Gülens beweging alle ruimte. In de jaren tachtig steunden beide leiders elkaar, tot wederzijds voordeel. Özal voerde een radicaal neoliberaal hervormingsprogramma door en privatiseerde in hoog tempo de economie, met als gevolg een economische polarisering maar ook de opkomst van een nieuw, dynamisch bedrijfsleven. Ondernemers uit de omgeving van Gülen behoorden tot degenen die hiervan profiteerden.

Bij het uiteenvallen van de Sovjetunie zag Özal unieke mogelijkheden Turkije als brug te laten fungeren tussen de olie- en gasrijke Turkstalige nieuwe staten van Centraal-Azie en het Westen, en hij moedigde Turkse ondernemers aan er te investeren. Gülen ondersteunde dit initiatief door in hoog tempo scholen op te richten in deze nieuwe staten - de eerste buitenlandse expansie van de beweging. De Gülenscholen in Centraal-Azie, Azerbeidjan, Albanie en Bosnie volgen het officiele curriculum van deze landen met aanvullende lessen in de Turkse taal en geschiedenis, gebruiken meestal het Engels als medium van instructie, en leggen een sterke nadruk op technische vakken. De meeste leraren op die scholen behoren tot de Gülenbeweging en zijn zeer gemotiveerd om niet alleen schoolvakken te onderwijzen, maar ook als moreel rolmodel te fungeren; een ander deel wordt lokaal geworven. De Gülen-scholen hebben de reputatie beter onderwijs te verzorgen dan de meeste andere instellingen en veel ouders sturen hun kinderen naar deze scholen, hoewel ze zich niet aan de ideologie van de beweging verwant voelen. Er groeide een natuurlijke samenwerking tussen de in Centraal-Azie en de Balkan actieve Turkse ondernemers (van wie een deel uit kringen rond Gülen afkomstig was, maar de meesten niet) en de Gülenbeweging.

De beweging bouwt een zakelijk en media-imperium op

De financiering van deze expansie vond plaats volgens het principe van de zustersteden: de Gülen-aanhangers in een stad in Turkije kregen een stad of streek in het buitenland ter adoptie aangewezen en werden geacht de middelen bijeen te brengen om daar een school en andere activiteiten op te zetten. Aanhangers, vooral de ondernemers onder hen, werden geacht vrijwillig aanzienlijke bijdragen te leveren, niet slechts ter hoogte van de islamitische belasting zakat (die 2,5 % van het inkomen bedraagt) maar daarbovenop de vrijwillige liefdadigheidsbijdragen (sadaqa). Vrijwel alle islamitische bewegingen proberen deze bijdragen onder hun aanhang te werven, maar geen enkele beweging slaagt daar zo goed in als de Gülenbeweging, mede dankzij de ascetische zelfdiscipline waarin ze haar aanhang traint. De Amerikaanse onderzoekster Helen Rose Ebaugh, die onderzoek deed naar de fondsenwerving van de Gülenbeweging, noemt voorbeelden van zakenlieden die tot 40 procent van hun jaarlijkse verdiensten aan de beweging afstaan en schat op grond van interviews dat de aanhang gemiddeld 10 procent van het inkomen aan de beweging schenkt. Financiele bijdragen vormen overigens slechts een bescheiden deel van de opofferingen die trouwe volgelingen van de beweging zich getroosten; velen stellen hun hele leven in dienst van de beweging en verrichten hun werk tegen zeer bescheiden vergoeding, dit alles alleen Allah rızası için, 'om Gods goedkeuring te verdienen'.

In de jaren negentig nam de zichtbaarheid van de beweging in Turkije sterk toe, mede door haar eigen media. De krant Zaman werd een van de meest verkochte dagbladen, de televisiezender Samanyolu een veelbekeken station (de enige particuliere zender die, net als de staatszender TRT, de dagelijkse uitzendingen met het volkslied besloot). Gülenscholen namen in aantal en populariteit toe - ook veel ouders die zelf geen affiniteit met de Gülenbeweging voelden, stuurden hun kinderen wel naar een van deze scholen, omdat ze de reputatie hadden goed onderwijs te leveren en een hoog percentage van de leerlingen erin slaagde door te stromen naar hoger onderwijs - vooral in combinatie met een Gülen-internaat of dersane voor huiswerkbegeleiding, training voor universitaire toegangsexamens en persoonlijke discipline. Doorstuderen werd gestimuleerd, en vooral de leerlingen die ontvankelijk waren voor de disciplinering door de beweging werden geholpen plaatsing te vinden op de beste universiteiten en academies.
Gülen-volgelingen drongen niet alleen door tot de studierichtingen waarop islamisten elders zich bij voorkeur richten, zoals medicijnen en ingenieurswetenschappen, alsmede politie- en militaire academies, maar ook tot sociale en culturele studies. Seculiere progressieve intellectuelen ontdekten dat zij niet langer het monopolie hadden op typisch 'intellectuele' vertogen zoals sociale wetenschappen, politieke filosofie of moderne literatuur: uit de Gülenbeweging kwamen mensen voort die zich op die terreinen met hen konden meten.

Meer controversieel, althans in Turkije zelf, is het feit dat de Gülenbeweging haar jonge volgelingen niet alleen stimuleerde verder te studeren en bewerkstelligde, dat op alle mogelijke academische en professionele terreinen bekwame kaderleden een rol begonnen te spelen, maar dat de beweging er kennelijk ook bewust naar streefde kaderleden te laten doordringen tot de belangrijkste organen van de staat zoals politie, justitie en het leger. Behalve een aantal steeds weer herhaalde beweringen valt hier weinig harde informatie over te vinden, maar tal van indirecte aanwijzingen suggereren, dat de beweging ook op dit terrein successen boekte.
Gülen richtte in 1996 ook een eigen bank op, Asya Finans, waarin hij de met hem verbonden ondernemers overreedde te investeren. Asya Finans was niet de allereerste Turkse bank die volgens islamitische principes opereerde, maar was wel spoedig de meest succesvolle vanwege de toewijding van grote investeerders die niet uitsluitend op winstmaximalisering uit waren, maar ook uit loyaliteit aan de beweging handelden. Een van de bedoelingen van de bank was, de spaargelden van kleine vrome spaarders te mobiliseren en voor productieve investeringen te gebruiken. Vanwege het islamitische verbod op woekerrente (riba) wilden veel vrome conservatieven hun spaargelden niet op een gewone bank deponeren; de islamitische bank bracht hier uitkomst.

Dialoog met politici, intellectuelen en geestelijke leiders van andere religies

Gülen zelf had enkele ontmoetingen met de machtigste politici van het land, waaraan de Turkse pers uitvoerig aandacht schonk, niet alleen met zijn geestverwant Özal maar ook met de latere, uiterst seculiere, premiers Tansu Çiller en Bülent Ecevit, die beiden duidelijk maakten dat hij een voor hen acceptabele vorm van islam vertegenwoordigde. Nog meer aandacht van de Turkse pers kreeg een ontmoeting die Gülen in 1998 had met Paus Johannes Paulus II. Rond dezelfde tijd had hij ook ontmoetingen met de Grieks-orthodoxe Patriarch en met de Opperrabbijn van Turkije. Gülen positioneerde zich als de enige prominente leider van soennitische moslims die bereid was op voet van gelijkheid met de leiders van andere religies, zowel als met politieke leiders een dialoog aan te gaan.
'Dialoog' werd een terugkerend thema in de publieke activiteiten van de Gülenbeweging. Gülen nam ook het initiatief voor de zg. Abant-ontmoetingen die in 1998 voor het eerst plaatsvonden, een reeks ontmoetingen tussen vooraanstaande Turkse intellectuelen die het hele spectrum van seculier tot religieus en van links tot rechts vertegenwoordigden, en waar grote maatschappelijke thema's in een vrije en open atmosfeer werden besproken. Het belang van deze ontmoetingen voor het overbruggen van de diepe kloof tussen groepen die lang ideologische tegenstanders waren, wordt tamelijk breed erkend. Na enkele ontmoetingen traden ook enkel seculier georienteerde intellectuelen toe tot het comite dat de ontmoetingen voorbereidt (met name de bekende historicus Mete Tunçay).

De activiteiten van de Gülenbeweging vanaf het midden van de jaren negentig lijken een belangrijke verschuiving in de houding tegenover staat en maatschappij te vertegenwoordigen. Na de militaire staatsgrepen van 1971 en 1980 had Gülen zich openlijk aan de zijde van de militairen geschaard (die immers zowel tegen links als rechts radicalisme optraden, maar vooral tegen links). in de eerste jaren na 1980 voerde het militaire bewind een vernietigingscampagne tegen de 'civil society' uit: het verbood vrijwel alle op vrijwilligheid gebaseerde maatschappelijke organisaties af en onderwierp de samenleving totaal aan het staatsapparaat. Gülen verklaarde toen zijn steun aan dit beleid, maar sinds de late jaren negentig is de Gülenbeweging zich in toenemende mate gaan richten op het versterken van 'civil society' en het ontplooien van initiatieven waar burgers elkaar zonder tussenkomst van de staat ontmoeten. De vroegere linkse vijand is nu een gewaardeerde discussiepartner geworden - althans in de publieke activiteiten.
Linkse intellectuelen zijn sterk verdeeld in de houding tegenover de Gülenbeweging: sommigen zijn uiterst achterdochtig en wantrouwen de vermoede verborgen agenda van de beweging, terwijl anderen in haar een noodzakelijke partner zien in de strijd om verdere democratisering van Turkije. Onder seculiere nationalisten bestaat een soortgelijke verdeeldheid: sommigen wantrouwen de beweging vanwege haar religieuze karakter, terwijl anderen haar Turkse nationalisme en haar verdiensten voor Turkije prijzen.

De 'zachte coup' van 1997; Gülen vestigt zich in de VS

Het politieke landschap veranderde rond het midden van de jaren negentig aanzienlijk. De 'pro-islamitische' Welzijnspartij (Refah Partisi) van Necmettin Erbakan boekte bij de gemeentelijke verkiezingen van 1994 en de parlementsverkiezingen van het jaar daarop enorme winst en werd de grootste politieke partij. Na een coalitieregering van twee seculiere partijen die niet lang standhield, werd midden 1996 een coalitieregering van de Welzijnspartij met de conservatief-liberale Partij van het Juiste Pad (Doğru Yol Partisi) gevormd, met Erbakan als premier en Tansu Çiller (DYP) als vice-premier. Na een rondreis van Erbakan door het Midden-Oosten en suggesties dat hij Turkije politiek en economisch meer op het Midden-Oosten wilde orienteren, legden de militairen de regering op 28 februari 1997 een ultimatum voor, waarin ze maatregelen tegen 'religieuze reactie' en waarborging van de seculiere orde eisten. Korte tijd later viel de regering en werd vervangen door een nieuwe coalitie van seculiere partijen.

De door de militairen geeiste maatregelen, die in Turkije bekend staan onder de naam 'het proces van 28 februari', waren onder meer gericht tegen particuliere scholen die met religieuze bewegingen in verband werden gebracht, en maakten het praktisch onmogelijk voor de abiturienten van de imam-hatip scholen - scholen waar naast de algemene schoolvakken ook onderwijs in religieuze vakken werd gegeven - door te stromen naar universiteiten en hogescholen (met name de politie- en militaire academies). De Welzijnspartij werd, net als de eerdere 'pro-islamitische' partijen, verboden (en opgevolgd door een nieuwe 'pro-islamitische partij die een voorzichtigere koers volgde, de Partij van de Deugd, Fazilet Partisi). Een jaar later werd de populaire politicus Erdoğan (de huidige premier) tot gevangenisstraf veroordeeld wegens het reciteren van een bekend gedicht, dat als een oproep tot verzet werd geinterpreteerd.
Gülen had altijd afstand gehouden tot de Welzijnspartij en herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat hij Erbakans uitdagingen aan het seculiere establishment te provocerend vond. Hij betuigde zelfs ook steun aan het 'proces van 28 februari', hoewel dit mede tegen de door zijn volgelingen opgerichte scholen gericht was.

Hier ligt mogelijk een van de redenen waarom Gülen en zijn volgelingen steeds weer herhalen, dat de scholen in binnen- en buitenland niet tot de beweging behoren, maar elk voor zich voortkomen uit individuele initiatieven van personen die door Gülens ideeen zijn geinspireerd. Onder het 'proces van 28 februari' moesten particuliere internaten, stichtingen en scholen die aan ' tarikats', d.w.z. mystieke ordes en vergelijkbare religieuze bewegingen, verbonden waren onder toezicht worden gesteld van de overheid en overgedragen aan het Ministerie van Onderwijs.
In 1999 werd Gülen persoonlijk doelwit van een tegen hem en zijn beweging gericht offensief. Het televisiestation ATV zond op 19 juni 1999 video-opnames uit van twee preken van Gülen, waarin hij zijn aanhang leek aan te sporen in alle belangrijke organen van het staatsapparaat te infiltreren en geduldig, zonder confrontaties met de autoriteiten, te wachten op het moment waarop ze de macht konden overnemen. Tal van media namen de beelden of de transcriptie van sleutelzinnen uit de preken over, en berichtten dat het Openbaar Ministerie een zware aanklacht tegen Gülen voorbereidde. Gülen zelf was enkele maanden eerder voor een medische behandeling naar de VS gegaan, en hij besloot voorlopig niet terug te keren.

In de VS bestond al een uitgebreid netwerk van volgelingen van Gülen, doorgaans hoog opgeleid en met goede connecties in de universitaire wereld, onder professionals en in kringen van de religieuze dialoog. Zij hielpen Gülen een nieuw hoofdkwartier van zijn beweging op te bouwen op veilige grond, en hielpen hem ook in toenemende mate in Amerika zijn stem te laten horen als een gematigd alternatief voor de radicale islam. Vooral na de aanslagen van 11 september 2001 heeft Gülen zich ingespannen een ander, vriendelijker en toleranter gezicht van de islam te laten zien - zonder overigens te kunnen ontkomen aan achterdocht en twijfel over zijn ware bedoelingen. Tegenwoordig woont Gülen, omringd door een aantal getrouwen, op een landgoed in de staat Pennsylvania dat formeel eigendom van een verwant is. Het eigenlijke centrum van de beweging is echter nog steeds in Turkije, waar de belangrijkste organisatoren leven.

"2-Tarikatlarla bağlantılı özel yurt, vakıf ve okullar, devletin yetkili organlarınca denetim altına alınarak Tevhid-i Tedrisat Kanunu gereği Millî Eğitim Bakanlığı'na devri sağlanmalıdır."

Maatregel 2 op de lijst besluiten van de Nationale Veiligheidsraad op 28 februari 2007.
De zachte coup van 28 februari had, paradoxaal genoeg, een geleidelijke liberalisering van de Turkse islam als gevolg. Veel aanhangers van de verboden Welzijnspartij (en de eveneens na korte tijd verboden Partij van de Deugd) zagen in dat wat ze in eerste instantie nodig hadden, meer dan enige specifiek islamitische symboolpolitiek, een serieuze democratisering van het politieke stelsel was, en dat ze die behoefte deelden met anderen die ze lang als ideologische tegenstanders hadden beschouwd. En ook onder linkse en liberale groepen was het besef gegroeid dat democratisering niet te bereiken zou zijn zonder samenwerking met het deel van het electoraat dat door de Welzijnspartij was vertegenwoordigd. De belangrijkste tegenstelling, zagen velen in, was niet die tussen links en rechts, seculier en religieus maar tussen een autoritair staatsapparaat en civil society. De Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP), opgericht door jongere kaderleden uit de Welzijnspartij, stelde een economisch liberaal en sociaal conservatief programma op, wist zijn maatschappelijke basis te verbreden, en won in 2002 overtuigend de algemene verkiezingen. Gesteund door een meerderheid in het parlement voerde de AKP in korte tijd een aantal ingrijpende democratiserende hervormingen door om aan de Kopenhagencriteria te voldoen. Vijf jaar later wist de partij haar positie in het parlement nog te versterken.
Ook voor de Gülenbeweging betekende het 'proces van 28 februari', en vooral Gülens vestiging in de VS, een keerpunt. Het naar binnen gekeerde en de buitenwereld wantrouwende karakter, dat de beweging in de beginjaren had gekenmerkt, veranderde in een veel positievere houding tegenover het Westen, en ook uitingen van moderne cultuur zoals film, muziek, beeldende kunst en literatuur worden positiever bejegend. Seculiere intellectuelen schrijven regelmatig in de media van de Gülenbeweging, met name het dagblad Zaman, waardoor de aanhang van de beweging met een breder scala aan opinies en informatie wordt geconfronteerd.

De 'diepe staat', de Ergenekonprocessen en de machtsstrijd tussen seculiere en religieuze elites

Het meest controversiele aspect van de door de AKP-regering uitgevoerde hervormingen betrof het terugdringen van de macht van de militairen en van de kemalistische elite, die een belangrijk deel van het staatsapparaat monopoliseerde. Na zijn aantreden als premier, in 2003, merkte Erdoğan op, 'we vormen de regering, maar we zijn nog niet aan de macht', en sindsdien is het streven van de AKP geweest om ook werkelijk aan de macht te komen door het terugdringen van de invloed van niet-gekozen vertegenwoordigers van de gevestigde orde. Voor een belangrijk deel ging dit samen met de door de EU verlangde democratische hervormingen; voor een ander deel betrof het de vervanging van de ene elite door een andere, die niet noodzakelijk democratischer gezind is. De Gülenbeweging verleende steun aan de AKP in het streven naar democratisering en werd daarvoor, naar verluidt, beloond met benoemingen van leden op belangrijke posities, inclusief ministersposten. Volgens een iets andere versie van dit verhaal vond de AKP in eigen gelederen niet voldoende hoog opgeleide personen om belangrijke posities in de bureaucratie op te vullen en was ze daarom wel op de Gülenbeweging aangewezen. Tegelijk bleef iets van de oude rivaliteit en verschil in strategie tussen de Milli Görüş-partijen en de Gülenbeweging bestaan, en doorkruisten initiatieven van de AKP en de Gülenbeweging soms elkaar.
In Turkije wordt de term 'de diepe staat' (derin devlet) gebruikt om een deel van het staatsapparaat aan te duiden dat zich aan controle door parlement en regering onttrekt (maar wel aan de hoogste legerleiding en/of veiligheidsdiensten lijkt te zijn onderworpen). De 'diepe staat' wordt o.a. verantwoordelijk geacht voor doodseskaders die in de jaren negentig honderden publieke persoonlijkheden en duizenden jonge mensen ombrachten, voor de infiltratie van of zelfs het opzetten van gewelddadige Koerdische, marxistische of islamistische groepen, voor grootscheepse wapen- en heroinesmokkel in nauwe samenwerking met de Turkse maffia, en voor tal van andere clandestiene operaties. Een parlementaire commissie heeft in 1997, naar aanleiding van een auto-ongeluk waarbij iets van de samenwerking tussen politie en de maffia boven water kwam, een onderzoek ingesteld naar de activiteiten van de 'diepe staat', maar weinig meer dan een tip van de sluier kunnen oplichten.

Er zijn sterke aanwijzingen dat de 'diepe staat' in 2004 betrokken was bij voorbereidingen voor een staatsgreep waarbij de AKP opzijgezet moest worden. Het plan zou eruit bestaan door bom- en moordaanslagen en andere provocaties zo'n politieke chaos te veroorzaken dat een militair ingrijpen onvermijdelijk werd. Een toevallige vondst van een clandestien wapendepot in 2007 leidde tot een reeks verdere ontdekkingen waarbij geleidelijk een clandestien netwerk, waarin gepensioneerde officieren van leger en veiligheidsdiensten betrokken waren aan het licht gebracht werd. Het netwerk kwam bekend te staan als Ergenekon (een naam uit de ontstaansmythe van de Turkse volkeren, die de betrokkenen zelf gekozen hadden). De eerste Ergenekon-arrestaties begonnen in januari 2008; de namen van veel van de betrokkenen waren al bekend uit de eerdere parlementaire enquete, die ze ongedeerd hadden doorstaan. Het openbaar ministerie voorzag de pers regelmatig van nieuwe onthullingen over een samenzwering die steeds immenser leek te worden, en waar niet alleen militairen en veiligheidsofficieren maar ook journalisten en academici betrokken zouden zijn. Tegenstanders van de AKP-regering wezen erop, dat deze onthullingen de AKP wel erg goed moesten uitkomen omdat haar belangrijkste tegenstanders in de criminele hoek geplaatst konden worden, maar een belangrijk deel van de beschuldigingen lijkt goed gedocumenteerd.

Van twee van de officieren van justitie die het onderzoek naar Ergenekon leiden, wordt gezegd dat ze tot de Gülenbeweging behoren. De krant Zaman is zeker een van de media die het meest systematisch over Ergenekon berichten en een belangrijke invloed hebben op de publieke perceptie van de zaak. De processen hebben de samenleving verdeeld in twee blokken, die er allebei van overtuigd zijn oog in oog te staan met een gevaarlijke samenzwering. Die blokken zijn niet eenvoudigweg als 'islamitisch' en 'seculier' te betitelen, want een belangrijk deel van links en liberaal Turkije beschouwt het oprollen van de 'diepe staat' als de belangrijkste opdracht om een vrijer en democratischer Turkije te verwezenlijken en heeft zich in dit opzicht aan de zijde van de regering geschaard. Hoogstens is er bij hen twijfel aan een deel van de beschuldigingen, niet aan de affaire als zodanig. Tegenstanders echter zien in de Ergenekonprocessen een verkapte machtsgreep door de Gülenbeweging.

Een belangrijke en spraakmakende recente bijdrage aan het publieke debat in Turkije over Ergenekon en de Gülenbeweging is het deze zomer verschenen boek van de politiechef Hanefi Avcı, die eerder belangrijke verklaringen had afgelegd in het 'Susurluk-onderzoek', de parlementaire enquete naar de 'diepe staat'. Avcı is een van de hoogste en meest ervaren inlichtingenofficieren van de politie, en hij wordt beschouwd als een van de best geînformeerde kenners van de 'diepe staat'. In het eerste deel van zijn boek gaat hij uitvoerig in op de manipulaties en provocaties die sinds jaar en dag onder de benaming van 'psychologische operaties' tot het repertoire van de Turkse politie en veiligheidsdiensten behoren. Hij erkent ruiterlijk dat hij zelf vroeger deze methoden om de publieke opinie te beînvloeden en het volk 'richting te geven' (yönlendirme) legitiem vond en eraan heeft meegewerkt. Hij geeft een gedetailleerde beschrijving van de ontdekking van de Ergenekon-samenzwering, die hij als de meest recente manifestatie van deze traditie van psychologische operaties, in dit geval vooral tegen de AKP-regering gericht, beschrijft.
Maar Avcı heeft veel kritiek op de manier waarop het Openbaar Ministerie en de politie, of althans de onder invloed van de Gülenbeweging staande eenheden die bij de Ergenekonprocessen betrokken zijn, allerlei volgens hem ongerelateerde zaken met Ergenekon in verband brengen. Volgens de openbare aanklagers maken ook de PKK en de extreem-linkse beweging Dev Sol deel uit van dezelfde Ergenekon-samenzwering, en maken de moorden op de Armeense journalist Hrant Dink en enkele Turkse bekeerlingen tot het christendom in de stad Malatya eveneens deel uit van een grootscheeps plan van Ergenekon om chaos en paniek te veroorzaken. Avcı vindt dat onzin, en beschuldigt de aanklagers ervan dat zij om politieke redenen alles wat er mis is in Turkije op het conto van de tegenstanders van de AKP en de Gülenbeweging schrijven. De Gülen-aanhangers binnen Justitie, zegt Avcı, zijn niet onafhankelijk en handelen niet volgens de formele regels van de rechtsstaat maar gehoorzamen instructies die ze van hun beweging - door Avcı consequent aangeduid als 'de congregatie' (cemaat) - ontvangen. En wanneer onafhankelijke rechters een in beschuldiging gesteld persoon vrijspreken, merkt Avcı op, volgt onmiddellijk een stroom van protest in de door de congregatie gecontroleerde krant Zaman. (De liberale krant Taraf, die geen banden met de Gülenbeweging heeft, steunt overigens in grote lijnen het Ergenekon-onderzoek en heeft Avcı fel aangevallen op zijn bewering dat achter de moorden op Hrant Dink en anderen geen samenzwering schuilging.)
Avcı's kritiek op de Gülenbeweging komt extra hard aan omdat Avcı zelf een conservatief religieuze achtergrond heeft en zegt in de jaren tachtig sterk door Gülen beînvloed te zijn geweest. Over de persoon van Gülen spreekt hij alleen in positieve bewoordingen, maar de 'congregatie' beschuldigt hij van vergelijkbare manipulaties als die van de 'diepe staat'.

In de strijd tegen Ergenekon zijn de AKP en de Gülenbeweging er niet in geslaagd veel steun van Koerden en alevieten te krijgen. De AKP-regering heeft geprobeerd de Koerdische en alevitische gemeenschappen voor zich te winnen door een proces van dialoog met beide gemeenschappen dat in 2009 veelbelovend begon, maar sindsdien in het slop is geraakt. Ook de Gülenbeweging heeft, onafhankelijk daarvan, pogingen gedaan tot een dialoog met Koerden en met alevieten, en had al eerder o.a. een aantal goede scholen opgericht in de Koerdische gebieden van Turkije (evenals in het aangrenzende Koerdische deel van Irak). Hoewel zowel de Koerdische als de alevitische emancipatiebewegingen in het verleden onder repressie door de 'diepe staat' te lijden gehad hebben, overheerst bij beide toch het wantrouwen jegens de AKP en (vooral) de Gülenbeweging. De alevieten zijn bevreesd voor iedere aantasting van de seculiere orde en hebben een diep wantrouwen ten aanzien van de bedoelingen van beide bewegingen, ook al lijken die nu niet naar islamisering van het publieke domein te streven. De Koerdische beweging, en met name de PKK, ziet in de inspanningen van de AKP en de Gülenbeweging om de tegenstellingen tussen Koerden en Turken te overbruggen door de gezamenlijke religie te benadrukken een subtiele strategie om de Koerdische nationale identiteit te ondermijnen. Anderzijds geven de AKP en de Gülenbeweging regelmatig blijk van wantrouwen jegens alevieten en Koerden. Het wederzijdse wantrouwen heeft zich ook verspreid onder de Turkse gemeenschappen in Europa.



















Kaynakça
Kitap: De Fethullah Gülenbeweging in Nederland
Yazar: Martin van Bruinessen
Kullanıcı avatarı
TurkmenCopur
Genelkurmay Başkanı
Genelkurmay Başkanı
 
Mesajlar: 13983
Kayıt: 29 Eki 2010, 17:26

Dön Hollanda'da Fethullah Gülen Örgütlenmesi Hakkında Raporlar

Kimler çevrimiçi

Bu forumu gezen kullanıcılar: Hiç bir kayıtlı kullanıcı yok ve 1 misafir